Dysplastische heupontwikkeling (DHO) is de Nederlandse verzamelnaam voor heupdysplasie, heupsubluxatie en heupluxatie. Deze afwijkingen kunnen ertoe leiden dat een kind moeite krijgt met staan en lopen. Bij (jong)volwassenen kunnen ze leiden tot vroegtijdige slijtage van de heup. Een tijdige behandeling als kind kan dit voorkomen.

Kinderorthopeed

De heupen van kinderen met dysplastische heupontwikkeling zijn nog volop in ontwikkeling. Dit maakt ze kwetsbaar tijdens de behandeling. Daarom vindt de Vereniging Afwijkende Heupontwikkeling dat de behandeling van DHO altijd moet worden gedaan door een kinderorthopeed. Deze heeft meer kennis en ervaring dan een orthopeed die de kinderorthopedie niet als aandachtsgebied en/of specialisatie heeft.

De informatie op deze pagina is gecontroleerd door de leden van onze Medische Adviesraad.

De medische benaming van heupdysplasie is jarenlang ‘congenital dysplasia of the hip (CDH)’ of ‘congenitale (=aangeboren) heupdysplasie’ geweest. In de loop van de tijd is steeds duidelijker geworden dat deze heupafwijking ook in de eerste periode na de geboorte kan ontstaan. Daarom noemt men het nu ‘developmental dysplasia of the hip (DDH)’ of ‘dysplastische heupontwikkeling (DHO)’.

Op deze website gebruiken we bij algemene informatie de term dysplastische heupontwikkeling en de afkorting DHO. Bij informatie over de individuele afwijkingen (heupdysplasie, heupsubluxatie en heupluxatie) gebruiken we de namen van de afwijking waar het op dat moment over gaat. Artsen gebruiken in hun rapportages vaak de afkorting DDH.

Dysplastische heupontwikkeling heeft verschillende gradaties. Bij heupdysplasie (wat letterlijk ‘slecht gevormde heup’ betekent) wordt de heupkop onvoldoende overdekt door de heupkom. De kop staat meestal wel op de juiste plaats in de kom. De kom (en soms ook de kop) is onvoldoende ontwikkeld, waardoor het heupgewricht niet goed werkt. Bij ernstige gevallen van heupdysplasie staat de heupkop zelfs bijna of helemaal uit de kom. Dit wordt heupluxatie genoemd. Als de heupkop nog wel in de kom staat, maar niet helemaal op de goede plek, is er sprake van heupsubluxatie.

vah illustratie ddh

De verschillende gradaties worden ook wel dysplasie, subluxatie en luxatie genoemd.

Heupdysplasie is een betrekkelijk veel voorkomende afwijking bij zuigelingen: van elke 1.000 baby’s die worden geboren, hebben er ongeveer 20 heupdysplasie. Bij ongeveer 20% van de kinderen met DHO zijn beide heupen dysplastisch.

Bij 1 op de 1.000 pasgeborenen is er sprake van luxatie. In dat geval moet eerst de luxatie worden verholpen.

De oorzaak van het ontstaan van DHO is niet duidelijk. Wel is bekend dat de afwijking niet overal op aarde evenveel voorkomt. Zo is het in Azië en Afrika zeer zeldzaam, maar komt het relatief vaker voor in de noordelijke delen van Europa. Zeker is dat bij het ontstaan van DHO erfelijke en familiaire invloeden een rol spelen.

Het komt vaker voor bij meisjes dan bij jongens (80% van de kinderen met DHO is een meisje) en het gaat ongeveer anderhalf keer zo vaak om de linkerheup dan om de rechterheup.

Rond de elfde week van de zwangerschap is het heupgewricht van een ongeboren baby al volledig aangelegd. Vanaf dit moment zal de heupkom vanuit het centrum en langs de randen in grootte toenemen. Ook de heupkop groeit vanuit het centrum. Vanaf dat moment kan het gewricht al instabiel worden. Dit kan bijvoorbeeld komen doordat de heupkop uit de kom wordt gedrukt als een kind in stuitligging ligt.

DHO komt 2,5 tot 5,7 keer zo vaak voor na een stuitligging.

In Nederland worden alle kinderen gescreend op het consultatiebureau.

Tot de risicogroep behoren:

  • Kinderen bij wie in de familie tot en met de tweede graad DHO of vroege (voor de leeftijd van 50 jaar) heupslijtage voorkomt. Familie tot en met de tweede graad omvat het gezin van het kind (ouders en eventuele broers / zussen) en de gezinnen van de ouders (grootouders en eventuele ooms / tantes). Neefjes en nichtjes (kinderen van de ooms / tantes) worden niet tot de tweede graad gerekend.
  • Kinderen die na 32 weken zwangerschap in stuitligging hebben gelegen.
  • Kinderen bij wie het lichamelijk onderzoek door de jeugdarts of kinderarts afwijkend is.

Er zijn in het verleden diverse andere factoren geweest waarvan werd gedacht dat er een verband was met de ontwikkeling van DHO, zoals een open rug (spina bifida), klompvoeten en torticollis (scheefhals), maar hiervoor is geen duidelijk bewijs.

Naast deze factoren spelen ook andere zaken een rol. Tegenwoordig is het inbakeren van baby’s weer populair. Het inwikkelen van een baby in doeken is al eeuwen oud. Door het (strak) inwikkelen worden prikkels vanuit de omgeving afgeremd en onrustige kinderen zouden hier goed op reageren. Het strak inbakeren van het onderlichaam met de heupen en de knieën gestrekt, verhoogt het risico op het krijgen van DHO.

Als de benen worden gestrekt, vermindert het contact tussen heupkop en heupkom. Daardoor wordt de heupkom onvoldoende gestimuleerd om zich goed te vormen. Zo kan dus ook na de geboorte nog DHO ontstaan. Met name gedurende de eerste drie maanden loopt het heupgewricht extra risico doordat het dan nog grotendeels uit kraakbeen bestaat en de kans op vervorming heel groot is.

Het is dus belangrijk om een veilige inbakermethode te kiezen. Heeft je kind DHO of zit het in de risicogroep en overweeg je het in te bakeren? Overleg dan altijd met de behandelend kinderorthopeed of de jeugdarts of jeugdverpleegkundige op het consultatiebureau. Meer informatie over veilig inbakeren vind je op deze site.

DHO is een erfelijke aandoening. Dit betekent dat deze aandoeningen via het dna kunnen worden doorgegeven aan het nageslacht. Hoe groot die kans is, valt echter moeilijk te voorspellen. DHO is een aandoening die wordt veroorzaakt door verschillende factoren. Dit zijn zowel genetische factoren (foutjes in het dna die worden doorgegeven) als factoren van buitenaf.

Wordt er DHO geconstateerd bij je kind? En zijn er al oudere broers en/of zussen in het gezin? Dan is het raadzaam om te overleggen met de kinderorthopeed of het nodig is om hen ook te laten controleren. Voor deze controle is een nieuwe verwijzing van de huisarts nodig.

Meer informatie over erfelijkheid vind je op de website van Erfocentrum, het Nationaal Informatiecentrum Erfelijkheid.

Onbehandelde heupdysplasie kan op (jong)volwassen leeftijd leiden tot vroegtijdige slijtage (artrose) van de heup. De klachten die hiermee gepaard gaan, kunnen een grote impact hebben op het dagelijks leven. De behandeling is minder eenvoudig dan bij baby’s.

Onbehandelde heupluxatie leidt ertoe dat een kind moeite heeft met gaan staan en lopen. Het kind staat met een holle rug. Als het toch lukt om te lopen, heeft het een waggelend looppatroon. In Nederland wordt dit over het algemeen ontdekt en behandeld in de eerste levensjaren. Als luxatie niet wordt behandeld, leidt dit tot vroegtijdige slijtage van de heup. Door de afwijkende lichaamshouding ontstaan mogelijk ook klachten in andere gewrichten. Dit heeft veel impact op het dagelijks leven.