Bij heupimpingement botst het bovenste deel van het bovenbeen (de femurhals) bij bepaalde bewegingen tegen de rand van de heupkom: de heup loopt aan. Dit kan verschillende oorzaken hebben. De meest voorkomende oorzaak is een vormafwijking aan de heupkop of de heupkom die tijdens de groei ontstaat. Een enkele keer is impingement het gevolg van de ziekte van Perthes of epifysiolyse waardoor de heupkop en/of femurhals een afwijkende vorm heeft gekregen. Ook bij de ziekte van Otto (protrusio acetabuli) kan impingement optreden. 

Op deze pagina gaan we dieper in op femoroacetabulair impingement (FAI), ook wel heupimpingementsyndroom of heupinklemming genoemd.

Deze informatie is gecontroleerd door leden van de Medische Adviesraad van de VAH.

016 fai normaalFemoroacetabulair impingement (FAI) is het aanlopen van de femurhals (het collum) op de rand van de heupkom (het acetabulum) als gevolg van een vormafwijking aan een van deze twee gewrichtsonderdelen. Ook een combinatie, waarbij zowel de kom als de femurhals afwijkend van vorm zijn, komt voor.

De heup is een kogelgewricht en bestaat uit een kom en een kop op een steel (femurhals). De kop zorgt ervoor dat het ledemaat dat eraan vast zit, het been, in alle richtingen kan bewegen. Als je maar ver genoeg een bepaalde kant op beweegt, komt er een moment dat de rand van de kom en de femurhals elkaar raken. Het been kan dan niet verder bewegen en je hebt het eindpunt van de beweging in het gewricht bereikt.

017 labrumHoe snel je dat punt bereikt, is afhankelijk van twee factoren: hoe diep is de kom en hoe dik is de femurhals? Bij een normaal gevormd heupgewricht bereik je het eindpunt alleen bij extreme standen van de heup. Maar heb je een vormafwijking, dan kan het zijn dat je het eindpunt bereikt tijdens alledaagse bewegingen als bukken, je veters strikken of hurken.

Echte pijnklachten ontstaan pas als er schade optreedt in het gewricht. Het gaat dan vooral over schade aan het labrum, een flexibele, kraakbeenachtige ring rondom de kom. Ook schade aan het kraakbeen in de kom, met name aan de rand van de kom aan de voor- en zijkant kan klachten veroorzaken. Naarmate de schade ernstiger wordt, nemen de klachten toe.

Er zijn drie vormen van FAI: cam, pincer en een combinatie van beide. Daarnaast kunnen er ook bij mensen zonder vormafwijking klachten als gevolg van impingement optreden als zij vaak extreme bewegingen maken met de heup. Ze bereiken daardoor steeds het eindpunt van het gewricht. Bij die bewegingen wordt het labrum zwaarder belast, wat klachten kan veroorzaken. Meer daarover lees je bij de informatie over labrumletsel.

Bij de meeste mensen treedt het impingement op aan de voor- en/of voorzijkant van de heup. Dit komt doordat daar de meeste grote bewegingen in het gewricht plaatsvinden, denk bijvoorbeeld aan gaan zitten en bukken. Soms loopt het gewricht tijdens het lopen aan de achterkant aan tijdens het laatste deel van de pas. Dit wordt posterior (= achter) impingement genoemd.

016 fai

Cam

Bij de cam-variant is sprake van een afwijking aan de heupkop en/of femurhals. De heupkop is niet mooi rond, maar meer ovaal en de femurhals is aan de voorkant en soms ook de zijkant relatief te dik. Daardoor komt de femurhals op die plek eerder tegen de rand van de heupkom aan dan bij een normaal gevormd gewricht.

De cam-variant komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen.

In deze video wordt gedemonstreerd hoe de cam-variant eruit ziet.

Pincer

Bij de pincer-variant is sprake van een afwijking aan de heupkom. Deze is dan, al dan niet plaatselijk, te diep waardoor de femurhals op die plek eerder tegen de rand van de kom aankomt dan bij een normaal gevormde heup. 

In de meeste gevallen zit de pincer aan de voor- en/of voorzijkant van het gewricht. Soms bevindt de pincer zich aan de achterkant van het gewricht.

Mensen met de ziekte van Otto (protrusio acetabuli) hebben ook een diepe heupkom en als gevolg daarvan een pincer. Omdat dan de hele heupkom is aangedaan, wordt dit ook wel een ‘global pincer’ genoemd.

De pincer-variant komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen.

In deze video wordt gedemonstreerd hoe de pincer-variant eruit ziet.

Combinatie 

Bij de combinatievariant is zowel sprake van een cam als van een pincer.

In een studie waarin bij 42 heupen sprake was van een cam-variant (26 heupen) of van een pincer-variant (16 heupen) is gekeken hoe de verschillende vormen van FAI schade veroorzaken aan de heup1.

Daaruit bleek dat bij de cam-variant de meeste schade optreedt aan de voorkant van de heup. Het labrum was bij alle heupen losgekomen van het kraakbeen van de kom. Het zat nog wel vast aan het bot van de rand van de kom. Bij 62% van deze heupen met een cam-variant werd ook schade gevonden aan de achterzijde van de heupkop en bij 31% van de heupen aan de achterzijde van de heupkom.

Bij de heupen met een pincer-variant bevond de schade zich meestal op een smalle plek ter hoogte van de pincer. Op de plek waar de pincer zit was het labrum, dat normaal flexibel is, bij de meeste heupen verbeend.

Meer informatie over dit onderzoek lees je bij ‘Wat zijn de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek bij FAI?’.

1 Beck et al

Onderzoek naar het voorkomen van vormafwijkingen aan de heup die passen bij de cam-variant wijst uit dat deze voor mannen varieert van 9% tot 25% en voor vrouwen van 3% tot 10%1.

Onderzoek naar vormafwijkingen bij 4.151 inwoners van de wijk Østerbro in Kopenhagen liet bij 15,2% van de mannen en 19,4% van de vrouwen een pincer-variant zien2. Omdat de deelnemers uit zo’n klein gebied komen, kan het zijn dat dit voor andere gebieden anders is.

Nog geen 25% van de mensen die een vormafwijking hebben, krijgt ook daadwerkelijk klachten3. Dat maar een deel van de mensen met een vormafwijking ook daadwerkelijk klachten krijgt, komt doordat je van de vormafwijking zelf niet echt last hebt. Wel kan het zijn dat iemand bijvoorbeeld nooit erg lenig is geweest.

1 Packer et al
2 Gosvig et al
3 Palmer et al

Omdat er bij FAI sprake is van een vormafwijking, moet het al ontstaan in de kinder- en/of tienertijd. Het is niet volledig duidelijk op welk moment in de groei het precies ontstaat.

Uit onderzoek komen aanwijzingen naar voren dat de cam-variant in de vroege tienerjaren ontstaat1. Mogelijk speelt de manier waarop de heup in die periode wordt belast met (veel) rennen en springen en de gevoeligheid van de heupkop en/of de groeischijf hierbij een rol. Het is echter niet duidelijk wat het precieze effect van de belasting is en waar de grens ligt als het gaat om te veel activiteit.

Twee artikelen die zijn meegenomen in het hierboven genoemde onderzoek zijn geschreven naar aanleiding van onderzoek dat is uitgevoerd in Nederland. Onderzoek bij de jeugdselectie van een grote voetbalclub liet zien dat er bij hen vaker sprake was van een cam-variant dan bij leeftijdsgenoten die niet op hoog niveau voetbalden2. Ook is te zien dat de cam-variant zich in de loop van de groei ontwikkelt en dat die ontwikkeling stopt als de groeischijf van de heup is gesloten3. Dit versterkt het vermoeden dat sporten met hoge impact van invloed is op de ontwikkeling van een cam-impingement.

Dit wil echter niet zeggen dat iemand die in de tienerjaren geen sporten met hoge impact heeft beoefend geen cam-variant kan hebben. Ook ontwikkelt niet iedereen die veel sport een cam-variant.

Het vermoeden bestaat dat de pincer-variant mogelijk al bij de geboorte in aanleg aanwezig kan zijn, maar ook later kan dit zich nog ontwikkelen. Er is heel weinig onderzoek gedaan naar de oorzaak van deze vorm van FAI, waardoor er nog veel onbekend is.

1 Packer et al
2 Agricola et al
3 Agricola et al

Het vermoeden bestaat dat het ontstaan van de cam-variant gerelateerd is aan (veel) sporten met hoge impact waarbij veel gerend en gesprongen wordt, zoals onder andere voetbal en basketbal.1 Dit wordt onderschreven door onderzoek waarbij is gekeken naar de oorzaak van FAI.

Ook sporten waarbij vaak het uiterste bewegingsbereik van de heup wordt opgezocht kunnen klachten als gevolg van FAI veroorzaken. Je kunt hier bijvoorbeeld aan denken bij sporten als kickboksen, basketbal, voetbal, hockey, tennis en boulderen.

Het is belangrijk om te onthouden dat het ontstaan of hebben van FAI nog niet direct klachten veroorzaakt. Die ontstaan pas naarmate de femurhals vaker tegen de rand van de heupkom botst.

1 Packer et al

Omdat er bij het ontstaan van de cam-variant aanwijzingen zijn dat de mate van activiteit in de vroege tienerjaren van invloed zou kunnen zijn op het ontwikkelen van de afwijking kun je in theorie soms voorkomen dat deze ontstaat. Dit doe je door de mate van activiteit in deze periode te beperken.

In de praktijk is dit niet realistisch omdat vooraf niet te zeggen is wie wel en wie niet een afwijking zal ontwikkelen. Bovendien veroorzaakt een eventuele afwijking op deze leeftijd nog geen klachten. Ook wil en kun je kinderen niet te veel beperken in hun doen en laten. 

Er zijn aanwijzingen dat erfelijkheid een rol speelt bij de ontwikkeling van FAI, maar er is vooralsnog geen onderzoek dat hier sluitend bewijs voor levert.

Er is onderzoek gedaan naar het voorkomen van cam en pincer bij 96 broers en zussen van 64 mensen die zijn behandeld in verband met FAI1. De controlegroep bestond uit 77 partners van de patiënten en hun broers en zussen.

De onderzoekers concludeerden dat broers en zussen van iemand met een cam-variant een 2,8 keer zo grote kans hebben om ook deze afwijking te hebben, in vergelijking met de controlegroep. Broers en zussen van iemand met een pincer-variant hebben volgens dit onderzoek een kans die twee keer zo groot is om dezelfde afwijking te hebben.

Het is echter onduidelijk in hoeverre activiteiten binnen het gezin (bijvoorbeeld sporten met een hoge impact) een rol hebben gespeeld bij het ontwikkelen van FAI, waardoor niet met volledige zekerheid is te zeggen dat er sprake is van een erfelijke afwijking.

1 Pollard et al

Iedereen kan FAI krijgen, maar het lijkt er wel op dat vooral jonge en actieve mensen klachten krijgen. Het gaat daarbij vooral om sporters en mensen met fysiek belastend werk.

In een Nederlands artikel uit 20121 wordt aangegeven dat de cam-variant het meest voorkomt bij mannen, waarbij de klachten meestal beginnen op de leeftijd van 20 tot 30 jaar oud. De pincer-variant komt vaker voor bij vrouwen, waarbij de klachten meestal beginnen op de leeftijd van 35 tot 45 jaar oud.

1 Röling et al