Het kan soms lang duren voor de diagnose ziekte van Perthes wordt gesteld omdat er bijvoorbeeld eerst een behandeling bij een fysiotherapeut wordt geprobeerd. Op deze pagina lees alles over het stellen van de diagnose en wat daarbij aan de orde komt.

De informatie op deze pagina is gecontroleerd door de leden van onze Medische Adviesraad.

De diagnose kan met een röntgenfoto worden gesteld. Bij een vermoeden van een heupprobleem in de typische leeftijdscategorie tussen de vier en acht jaar worden röntgenfoto's gemaakt. Hierbij wordt een voor-achterwaarts genomen bekkenfoto gemaakt en een opname volgens Lauenstein, waarbij beide heupen 90 graden naar buiten worden gedraaid. Dit wordt door kinderen ook wel de ‘kikkeropname’ genoemd.

Is er twijfel over de diagnose omdat de röntgenfoto niet tot een diagnose leidt, dan kan een echo of een MRI-scan aanvullend van nut zijn. Ook kan een MRI worden gemaakt als er wordt gedacht aan andere aandoeningen dan de ziekte van Perthes, zoals een ontstekingsreactie in het bot (Brodie’s abces, chronische osteomyelitis), avasculaire necrose (botinfarct) door een andere reden, Juveniele Idiopatische Artritis (ook wel jeugdreuma genoemd) en infecties in de spieren rond de heup (myositis).

In het allereerste begin van de ziekte is er soms een vormverandering van de femurhals te zien: die wordt aan de buitenkant iets boller. Daarna is de heupkop op de foto wat witter en zakt hij wat in.

Op de Lauensteinopname is vaak net iets eerder te zien dat er sprake is van de ziekte van Perthes. Als er een fractuur optreedt tussen het gewrichtskraakbeen en het bot eronder (subchondrale bot) is dat op deze opname beter te zien dan op de voor-achterwaartse opname. Deze fractuur wordt ook wel het ‘Caffey sign’ genoemd en kan erop wijzen dat de kopkern gaat inzakken. 

Ook als de diagnose Perthes al gesteld is kan een MRI worden overwogen om te kijken hoe het met het kraakbeen is of als je wilt weten hoe de kop in de kom past. Een MRI met contrast kan inzicht geven hoe groot het botinfarct is. Omdat dit over het algemeen geen invloed heeft op de behandeling die wordt gestart, is dit geen standaardonderzoek bij de ziekte van Perthes. 

Om iets te kunnen zeggen over de prognose is er, naast leeftijd en geslacht, een aantal classificaties die iets zeggen over de ernst van de aandoening en de uiteindelijke eindstaat van de heup. Op dit moment worden er in Nederland twee classificaties gebruikt om de ernst van de aandoening tijdens het ziekteproces te bepalen: de Herring-classificatie (ook wel de laterale pijler classificatie genoemd) en de Catterall-classificatie. Daarnaast wordt de Stulberg-classificatie gebruikt om de eindsituatie te beoordelen. 

Deze classificatie is gemaakt door de Amerikaanse arts J.A Herring. Bij deze classificatie wordt gekeken naar de hoogte van de laterale pijler: de buitenste 15 - 30% van de kopkern. De methode is betrouwbaar en goed te gebruiken. 

Herring-classificatie laterale pijler Perthes lcpd Herring

Bij kinderen in groep A heeft de laterale pijler een normale hoogte. 

Bij kinderen in groep B is sprake van minder dan 50% hoogteverlies van de laterale pijler. 

Kinderen in groep B/C hebben een smalle laterale pijler (2 tot 3 mm) of er is precies 50% hoogteverlies of de laterale pijler is slecht verbeend (geossificeerd, ossificatie is het verbenen van het kraakbeen ook wel enchondrale botvorming genoemd). 

Kinderen in groep C hebben meer dan 50% hoogteverlies van de laterale pijler. 

Als de laterale pijler nog voldoende hoogte en voldoende stevigheid heeft, kan de heupkop hier mooi op steunen. Als hij is ingezakt, gaat de heupkop een beetje naar buiten de heupkom. 

Als de laterale pijler nauwelijks is aangedaan dan is er een goede prognose. Is de laterale pijler helemaal ingezakt dan is er vaak een slechte prognose. Bij deze twee groepen wordt vaak gekozen voor een conservatieve (niet-operatieve) behandeling. Voor kinderen die in groep B of B/C vallen, verschilt het per geval of een operatie nodig, danwel zinvol is. Een gespecialiseerde kinderorthopeed kan dit op basis van diens kennis en ervaring beoordelen. 

Deze classificatie is in de jaren zeventig ontwikkeld door de Engelse arts A. Catterall en zegt iets over de grootte van het infarct. De intra-beoordelaarsbetrouwbaarheid (hoe één persoon één foto op verschillende momenten beoordeelt) en de inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid (hoe verschillende personen één foto beoordelen) is laag: de foto kan bijvoorbeeld de ene keer in groep II worden geplaatst en de volgende keer in groep III.

Bij groep I is alleen het voorste (anterieure) deel van de kopkern (25%) aangedaan. 

Catterall-classificatie 1 Perthes lcpd Catterall

Bij groep II is ook het centrale deel (50%) aangedaan. 

Catterall-classificatie 2 Perthes LCPD Catterall

Bij groep III is het grootste deel van de kopkern (75%), met uitzondering van het achterste (posteromediale) deel, aangedaan. 

Catterall-classificatie 3 Perthes LCPD Catterall

Bij groep IV is de hele kopkern aangedaan. 

Catterall-classificatie 4 Perthes LCPD Catterall

Naast zijn classificatie heeft Catterall een aantal op een röntgenfoto zichtbare tekenen vastgesteld die er op kunnen duiden dat de heupkop mogelijk niet goed zal gaan herstellen, de zogenaamde 'head at risk signs'. Een gespecialiseerde kinderorthopeed kent deze tekenen en kan vertellen of hier sprake van is. 

Catterall beschrijft vier dingen:

  • De doorschijnende (radiolucente) V in het buitenste (laterale) deel van de kopkern.
  • De verkalking van het buitenste deel van de kopkern.
  • Zijwaartse verplaatsing (laterale subluxatie) van de heupkop.
  • Een te horizontale groeischijf.

 head at risk signs Catterall Perthes LCPD